Danilo en het postulaat van de dode talen

Door Hans van Wetering

hans van wetering 1

Waar hij precies dokter in was heb ik nooit goed begrepen.
Een beetje van alles, vermoed ik. Danilo was mijn huisbaas. Om rond te kunnen komen werkte hij in vier ziekenhuizen, verspreid over het land, zodat hij altijd onderweg was. Achter in de veertig moet hij zijn geweest. Een kleine Braziliaan met een luide, diepe stem en zo veel zwart haar op zijn handen dat je er liever niet naar keek; misschien omdat ze onwillekeurig de associatie met kleine knaagdieren opriepen.

Ik leerde hem kennen in het zuiden van Portugal, in Faro, in de zomer van 1993. Mijn vakantie was zonder dat ik het zelf goed en wel doorhad overgegaan in een verblijf voor onbepaalde tijd; tijd die ik vulde met het rondrijden van verveelde toeristen.

Het tweekamerappartement aan de kust dat ik van hem huurde had uitzicht op de zoutpannen en was aan de achterzijde opgetrokken uit aluminium en glas zodat de hitte er op het eind van de middag ondraaglijk was.

Misschien was het daarom dat Danilo zoveel zweette. Zo staat hij mij voor de geest; een kleine, behaarde man die onbedaarlijk transpireerde en altijd een sinaasappel in de hand had (sinds hij met roken was gestopt at hij tenminste tien sinaasappels per dag).

Eens in de twee weken kwam hij een weekeinde langs, wanneer hij een dienst moest draaien in een privékliniek in de stad. Danilo sliep dan in de huiskamer, op een bank zo smal dat het onmogelijk was er niet tenminste een keer per nacht vanaf te vallen.

Soms kwamen vrouw en kinderen ook mee. Twee jongens had hij, van een jaar of acht. Veel zeiden die jongens niet. Ze liepen maar wat rond en hingen wat op de bank. Zoals we hadden afgesproken vertrok ik dan voor de duur van dat weekeinde naar een camping ergens op een schiereilandje voor de kust.

Maar kwam Danilo alleen, dan gingen we samen uit eten en mopperde hij omstandig op de inwoners van het land waar hij woonde, en vooral op zijn vrouw, als vertegenwoordigster van dat land.

Dona Raquel was een knappe, stijve vrouw en van goede komaf, zo leek ze de rest van de wereld in ieder geval te willen doen geloven. Ik meen dat ze rookte, filtersigaretten, en dat ze de rook schuin omhoog blies, zoals je vroeger in films wel zag. Danilo had een pesthekel aan haar, zoals hij een pesthekel had aan Portugal, het land waar zij vandaan kwam, het land waar hij haar had ontmoet, waar hij twee zonen had gekregen op wie hij verzot was, en waar hij zich sindsdien gegijzeld wist. Want nooit zou hij het over z’n hart kunnen krijgen om naar Brazilië terug te gaan en zijn kinderen achter te laten.

Dus sleepte hij zich van slecht betalend ziekenhuis naar slecht betalend ziekenhuis, duizenden kilometers per week, mijmerend over god weet wat – een coopertest met onduidelijke tijdslimiet. Hoe ver weg zal Brazilië hem niet hebben geleken, aan het eind van weer zo’n zinderende asfaltdag, onder de invallende schemering, terwijl de vermoeidheid de gedachten naar onbekende plekken voert.

De restaurants waar ik met Danilo naartoe ging bevonden zich steevast in buitenwijken, verstopt onder non-descripte flatgebouwen. De airco zwoegend, de tafels witgedekt onder een mateloos Tl-licht, een beeldscherm in alle hoeken van de eetzaal, voetbal.

We kwamen binnen en namen plaats aan de eerste de beste vrije tafel, waarna Danilo het servet voor zijn buik hing en meteen op luide toon de ober bij zich riep. Het was een vaststaand ritueel, en die avond waarop hij mij zijn theorie ontvouwde was niet anders dan andere avonden.

Of misschien is ‘ontvouwde’ een groot woord. De theorie bestond strikt genomen uit luttele zinnen. ‘Het postulaat van de dode talen’, zo noemde ik het aanvankelijk, wanneer ik er in gezelschap over vertelde. Dat ‘postulaat’ beviel me wel. ‘Postulaat’ was mysterieuzer dan ‘theorie’. Een postulaat was een vlag geplant in onbetreden grond, een voetstap in streken waar tot dat moment geen mens zich had gewaagd.

Een dode taal herken je aan de klinkers. Dat was, tot de kern teruggebracht, Danilo’s ontdekking. Wanneer een taal stervende is, gaan de mensen die zich van die taal bedienen er zonder het zelf te merken toe over de klinkers in te slikken, tot het moment waarop woorden, en zelfs hele zinnen en betogen verschrompelen tot er niets rest dan een even monotoon als afschrikwekkend geprevel en gesis.

hans van wetering 2

Niet lang na die avond verloor ik Danilo uit het oog. Dona Raquel stapte op een doordeweekse dag onaangekondigd het appartement binnen en ontdekte dat ik (de hitte binnen was echt niet om te harden) delen van het echtelijke bed naar het balkon had overgebracht, iets dat haar maar matig beviel. Ik kreeg een week om het appartement te verlaten. Ik ging terug naar Nederland, de tijd verstreek, en er waren al heel wat jaren voorbij gegaan toen ik, op doorreis, voor het eerst weer in Faro kwam en van een loensende receptioniste van Danilo’s kliniek hoorde dat ‘o doutor Danilo’ naar Brazilië was vertrokken, met medenemen van zijn jongste zoon.

Danilo verdween, maar zijn theorie bleef rondzwerven in mijn hoofd. Af en toe vertelde ik in gezelschap over de Braziliaan met zijn Portugese vrouw en het postulaat van de dode talen. En nooit was er iemand die al eens van zo’n theorie had gehoord, of zelfs maar deed alsof. Er was ook niemand die mij tegensprak of ‘mijn’ Danilo eenvoudig voor gek uitmaakte.

Zo buitenissig was Danilo’s idee natuurlijk ook niet. Althans, voor wat de Portugese taal betrof. En daar was het Danilo tenslotte allemaal om begonnen. Zijn postulaat diende als bewijs voor de superioriteit van de voormalige kolonie Brazilië ten opzichte van het moederland Portugal. Waar het Portugees dat in Brazilië werd gesproken zong en heupwiegde, niet in de laatste plaats dankzij de klinkers die naakt en exhibitionistisch het toneel opeisten, daar raakten in het Portugees van het oude continent diezelfde klinkers vermalen tussen soms knokige, soms scherp geslepen medeklinkers, of hielden ze zich dan toch in ieder geval ergens achter in de mond op, bij het begin van de keel, bij het strottenhoofd, daar waar voedsel en taal afscheid nemen.

Of dit ook de juistheid van Danilo’s postulaat aantoonde was natuurlijk iets heel anders. Danilo was geen taalkundige, maar arts, een arts met een onduidelijk specialisme bovendien, die in zijn oude Honda Civic van kliniek naar kliniek jakkerde om de eindjes aan elkaar te knopen. En Danilo’s postulaat was ook zo overduidelijk gebaseerd op de weerzin die hij voor zijn Portugese vrouw voelde – het was zíjn Brazilië versus háár Portugal -, dat een scepticus gemakkelijk zou kunnen tegenwerpen dat de theorie geen algemene strekking had, dat de theorie niets meer was dan een vehikel voor Danilo’s haat.

Die avond aten we krab. Daar stond hij op. Ik lust geen krab, zei ik. Maar dat moest ik dan maar leren, krab lusten. Hij lachte uitbundig, sloeg me op de schouder, en wenkte de ober: ‘Ik leer hem krab eten,’ zei hij, wijzend op mij, ‘breng maar extra servetten.’

‘Elke taal is als een dier,’ zei hij even later, terwijl ik onhandig in de weer was met de scharen van het dier op mijn bord. ‘Elke taal is een ander dier, en het Portugees is een krab. Een krab beweegt zich achterwaarts en graaft zich in.’ Ik vroeg me af wat het Nederlands voor dier was. ‘Het Braziliaans echter,’ ging hij verder, ‘is geen krab.’ Met felle gebaren rukte hij de scharen van het beest op zijn bord. Het had iets meedogenloos, de wijze waarop hij die krab te lijf ging. Wat voor dier is het Braziliaans dan wel, vroeg ik hem.

Het antwoord op die vraag ben ik in de loop van de tijd vergeten. Misschien was  er geen antwoord en volstond het voor Danilo om vast te stellen dat het Portugees een krab was, en deed de rest er vervolgens eigenlijk niet meer toe.

Er waren meer dingen die ik vergat; de namen van zijn kinderen, de misprijzende blik van Dona Raquel wanneer ze haar appartement binnenstapte en mij op haar sofa zag zitten.

Ik twijfel nu ook of ze een hondje hadden.

In de jaren die volgden dacht ik eerlijk gezegd niet vaak meer aan Danilo’s theorie. De anekdote over Danilo en zijn wraakzuchtige theorie was sleets geraakt. Andere anekdotes dienden zich aan. Tot ik op een dag las dat ergens in een kist onbekende teksten van Fernando Pessoa waren opgedoken waarin hij beweerde dat de Nederlandse taal op sterven na dood was. Alleen de talen van naties die wereldrijken vestigden hadden kans van overleven, schreef Pessoa. En wie sprak er nou Nederlands, afgezien van anderhalve man en een paardekop in Nederland zelf, en dan nog wat achterlijke bijbelvreters in het zuidelijkste deel van Afrika? Het Nederlands was ten dode opgeschreven, aldus de dichter, die begin twintigste eeuw, een jonge jongen nog, korte tijd in Zuid-Afrika had gewoond, daarheen meegesleurd door zijn gehate stiefvader, en aan die jaren weinig goede herinneringen bewaarde.

hans van wetering 3

Ik moest onmiddellijk aan Danilo denken. Daar stond hij weer voor me, een sinaasappel in de hand, uitkijkend over de zoutpannen.

Pessoa’s schamperende visie was net als Danilo’s theorie door wrok ingegeven. Danilo’s echtgenote en Pessoa’s stiefvader waren inwisselbaar en vulden elkaar zelfs prachtig aan (waar Pessoa de doodsoorzaak analyseerde, beschreef Danilo de ziekteverschijnselen), ware het niet dat Danilo, ironisch genoeg, juist het Portugees van Pessoa doodverklaarde.

Zoals lang geleden Danilo’s idee indruk op me had gemaakt en in mijn hoofd was gaan rondspoken, zo kon ik nu Pessoa’s boutade over ‘Nederland met z’n spek-en-bonentaaltje’ niet van me afzetten. Ik dacht aan Pessoa, en telkens wanneer ik dat deed, dook achter zijn uitgemergelde beeltenis het stralende vollemaansgezicht van mijn verdwenen vriend op: ‘Meer servetten!’

In de weken daarna maakte de ergernis over Pessoa plaats voor een gevoel van onbehagen en slechts langzaam drong tot mij door waar dat vandaan kwam: ik miste Danilo en voelde me ook schuldig dat we elkaar uit het oog waren verloren. Misschien om toch nog iets van zijn aanwezigheid te voelen, begon ik, eerst aarzelend en zelfs met enige gêne, op te letten hoe mensen in mijn omgeving spraken. Had Danilo niet beweerd dat dode talen zich kenmerken door verschrompelde klinkers? Hoe stond de Nederlandse taal er wat dat betreft eigenlijk voor; had die akelige Pessoa gelijk gekregen?

De gêne maakte al snel plaats voor nieuwsgierigheid en in gesprekken met vrienden begon ik onder tafel de duur van de klinkers te noteren terwijl ik ondertussen zo goed en zo kwaad als het ging deelnam aan conversaties waarvan alleen ik wist dat het strikt genomen niet om een gesprek ging maar om veldonderzoek. Waar ik mij anders door de woorden liet meevoeren, daar brak ik ze nu op in hun kleinste componenten, om na enige tijd tot de conclusie te komen dat ik een onmogelijke taak op me had genomen. Mijn notitieboekje stond vol onleesbare krabbels. De klinkers hadden lak aan mijn onderzoek. Soms hielden ze zich schuil, soms ook namen ze een uitdagende pose aan, de krengen, en rekten ze zich behaagziek uit. Anders gezegd, ik kwam er niet uit.

Ik verlegde mijn aandacht naar de motoriek. Was het inslikken van die klinkers misschien af te meten aan de strekking van de kaakspieren?

Dat is nu bijna een jaar geleden. Ik ben op de goede weg, denk ik, al heb ik er inmiddels een dagtaak aan (en ook de avonden ben ik ermee zoet). Er is nog zoveel te doen, en of de Nederlandse taal ten dode is opgeschreven, staat nog niet vast.

Had ik al gezegd dat Danilo ondanks de haat jegens zijn vrouw zo’n hartelijke man was? Dat zijn lach zich aan de dingen hechtte? Dat Danilo zo iemand was van wie je je tot in je laatste dagen herinnert hoe het klonk wanneer hij je naam uitsprak?

Ooit zal ik Danilo mijn bevindingen presenteren. Als ik hem vind natuurlijk. Brazilië is een groot land, en op elke hoek woont wel een Danilo.

Soms droom ik van dat moment. Ik ben op bezoek in São Paulo en we zitten op een terras. Danilo, begin ik opgewonden, weet je nog, die avond in Faro, we aten krab, in een restaurant in een buitenwijk, we hadden het over van alles en nog wat, je was nog getrouwd met Dona Raquel, er was een voetbalwedstrijd op het scherm, ik herinner het me als de dag van gisteren, de airco loeide, en toen, alsof je het ter plekke bedacht, opperde jij je theorie van de dode talen. Kun je je dat nog herinneren Danilo? Danilo?

hans van wetering 4

 

Uit: Inpakken en Wegwezen (2012) Uitgeverij Contact 2012

Hans van Wetering is schrijver en vertaler.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*