Er komt een moment

 

column lobo er komt een moment 1Door António Lobo Antunes

 

Er komt een moment dat je met de dood begint om te gaan alsof het een oude vriend is: iemand die ergens in een stoel zit zonder een mens lastig te vallen en met een tijdschrift op zijn knieën vriendelijk, bijna aardig over de rand van zijn bril naar je kijkt. Er komt een moment dat de dood nauw verwant wordt, een neef of oom die je uitnodigt als er een plaats over is aan tafel: je ziet hem op een hoekje bescheiden, stilletjes mee-eten, glimlachen als jij lacht, instemmend knikken, opstaan en weggaan voordat de anderen

‘Blijf zitten, blijf zitten’

en als je bij de lift komt is hij al weg, je probeert je zijn naam te herinneren en kunt er niet opkomen

‘Het ligt op het puntje van mijn tong’

je zoekt in het album en het is die ene op de achterste rij van de groepsfoto’s, half vergeeld of te veel schaduw op het gezicht, je ziet een stukje van zijn hemd, zijn haren, haast niets. Er komt een moment dat de dood met je begint te verkeren, dagelijks intiem met je omgaat, je vindt hem terug in de spiegel waarvoor je je scheert, in je gebaren, in de manier waarop je de sleutel in het slot steekt, naar binnen gaat, het licht aandoet, ineens zijn daar de bank en de meubels en staat de dood naast je, zwijgend, gebruikmakend van je lichaam, je hoest, je stem, zwaar op je maag liggend

‘Iets verkeerds wat ik vanmiddag heb gegeten’

er komt een moment dat de dood het water in de gootsteen is, het kraken van een ladenkast, een wuivende hand achter het raam boven, een soort herfst die de middagen somber stemt, de glimlach waarmee je vragen beantwoordt, de vreemden in de lunchroom, zo ver weg, een meisje dat straal langs je heen kijkt, de ouderdom die ineens daar is

(‘God ik ben oud wat raar’)

suiker in je bloed, last van je lever, cholestorol, een galkleur, je ziel die, godweet waarom godweet waar gedeukt, hevig bonkt als je in de kleerkast een jas vindt die je niet past, terwijl je hem gisteren

(lees twintig jaar geleden)

nog aan hebt gehad, er komt een moment dat de bel gaat

(‘Wie zou dat zijn?’)

en er is niemand te zien op de monitor, op het schermpje waar in zwart-wit het miniatuurbeeld van de beller verschijnt, je denkt

‘Wie zou dat zijn?’

en je snapt het en kruipt weg in een hoekje van de leunstoel

(niet in de hele stoel, in een hoekje)

bang dat, ook al is er niemand, vloerplanken doorbuigen onder een gewicht, de franje van het tapijt uit model raakt, je denkt dat je woorden hoort en er is geen woord te horen, er komt een moment dat de dood niet eens

‘hallo’

zegt, aangezien je niet

‘hallo’

tegen jezelf zegt, in plaats van

‘hallo’

wordt het donker, je staat voor de spiegel waar je je scheert en ziet in die spiegel niet meer dan de tegeltjes achter je, het schap met tubes en flacons die je niet gebruikt en die de man van de werkster misschien wel wil, wat weer een plastic tasje scheelt, er komt een moment dat de dood dit hier onder je ogen is, die rimpels, die hals, kleine dingen van vroeger die ineens van groot belang worden, herinneringen waar iemand van buiten om zou lachen en die voor jezelf zo zoet zijn, er komt een moment dat je niet schreeuwt, niet protesteert, dat je stom en onderdanig blijft wachten, verstild in jezelf als een ooievaar op één poot, er komt een moment dat je geen vragen meer stelt, geen stem zou antwoorden als je het toch zou doen, er komt een moment dat ik António Lobo Antunes heet en dat António Lobo Antunes heten niets meer betekent, wie is dat, wie was dat, schreef hij niet, wat schreef hij dan, hij groeide op in een huis met een acacia en verdween op zekere dag, hij is nooit teruggekomen, zal wel ergens uithangen, het doet er niet toe, er komt een moment dat er niets meer komt, alleen zijn lichaam, dat wat ooit zijn lichaam was, in een ziekenhuisgang, op weg naar de operatiekamer of zoiets, misschien zo vol pijn dat hij de pijn niet voelt, pak zijn hand niet vast, praat niet met hem, laat hem met rust, wat zou hij denken, wat zou hij willen, er komt een moment, dames en heren, dat de dood niet nauw verwant is, niet die verre familie die wordt uitgenodigd als er een plaats over is aan tafel, er komt een moment dat je zelf die neef of oom op een hoekje bent en dat je opstaat en weggaat voordat de anderen

‘Blijf zitten, blijf zitten’

dat je op groepsfoto’s op de achterste rij staat, vergeeld of met te veel schaduw op je gezicht, er komt een moment dat je het gezicht niet bent maar de schaduw op het gezicht, er komt een moment dat het afgelopen is met het gezicht, met de schaduw, er komt een moment dat het huis leeg is, een opengeslagen boek, de pen nutteloos op het bureau, er komt een moment dat de telefoon vertwijfeld rinkelt, dat de ogen droog zijn, er komt een moment dat er geen moment meer is, dat het infuus niet meer druppelt, dat de schrik nog niet is veranderd in verdriet, dat een ding mij vervangt, een ding met mijn kleren aan dat in een kist wordt geschroefd, er komt een moment dat de zon schijnt zonder mij nadat de doodgereden hond in de berm van de weg is geveegd.

column lobo er komt een moment 2

 

Vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*