Mario de Sá-Carneiro (1890 – 1916) De voorspelling

sa carneiro bekentenis voorkant

Vandaag is het honderd jaar geleden dat Mário de Sá-Carneiro (19 mei 1890, Lissabon) een einde aan zijn leven maakte. Hij heeft een korte roman, A confissão de Lúcio (De bekentenis van Lúcio, De Arbeiderspers), twee verhalenbundels, een dichtbundel, een toneelstuk en bijdragen aan verschillende tijdschriften op zijn naam staan wanneer hij in 1916, nog geen zesentwintig jaar oud, zelfmoord pleegt in Parijs. Op die tragische manier, die hij, zij het indirect zoals in dit verhaal, voortdurend heeft aangekondigd in zijn werk, komt er een einde aan het leven van deze vriend van Fernando Pessoa, die samen met hem de grondlegger was van het modernisme in de Portugese literatuur. Naast verschillende heruitgaven verschijnt postuum nog een dichtbundel en worden zijn brieven aan Fernando Pessoa uitgegeven in twee delen.

Op 31 maart 1916 schrijft Sá-Carneiro een brief aan zijn vriend Fernando Pessoa waarin hij zijn zelfmoord aankondigt. Een paar dagen nog, schrijft hij, maar het zal bijna een maand later worden: 26 april.

Beste vriend,

Tenzij er een wonder gebeurt zal jouw Mário de Sá-Carneiro komende maandag 3 maart (of de avond tevoren), een sterke dosis strygnine nemen en verdwijnen uit deze wereld. Het is echt zo, maar het kost me moeite je dit te schrijven, omdat ik ‘afscheidsbrieven’ altijd belachelijk heb gevonden. Je hoeft me niet te beklagen, beste Fernando: per slot van rekening krijg ik wat ik wil: wat ik altijd zo gewild heb – en om eerlijk te zijn deed ik hier al niets meer… ik had al alles gegeven wat ik te geven had. Ik beroof me om niets van het leven: ik beroof me van het leven omdat ik mezelf door de omstandigheden, of liever, omdat ik door de omstandigheden in gouden overmoed in een toestand werd gedrongen die in mijn ogen geen andere uitgang heeft. Dan liever zo. Het is de enige manier om te doen wat ik moet doen. Sinds twee weken leid ik een leven waar ik altijd van gedroomd heb: ik heb daarin alles gekregen: de seksualiteit, laten we zeggen van mijn werk, verwezenlijkt – de hysterie van zijn opium beleefd, de gestreepte manen, de paarse musketiers van zijn schijn. Ik zou langer gelukkig kunnen zijn, psychologisch gezien loopt alles voor me als een wonder, maar ik heb geen geld (…)

 

pessoa en sa-carneiro fotograaf onbekend(1)

 

DE VOORSPELLING

Over de zelfmoord van António Maldonado, de vreemde en duistere dichter van ‘Schemering’, deden de gekste versies de ronde. Als naaste vriend van de ongelukkige en erfgenaam van zijn werk, was ik tot nu toe de enige die de ware toedracht kende, heel bijzonder trouwens. Omdat ik echter inzie dat het tijd wordt allerlei verhalen te ontkrachten die zijn goede naam zouden kunnen bezoedelen – ter verklaring van zijn zelfmoord werd zelfs al gesproken van oplichterij –, heb ik besloten de fragmenten uit zijn dagboek te publiceren waarin hij aangeeft waarom hij uit het leven is gestapt.

20 december 1907.
Ik ben altijd bang geweest voor het onbekende. Ik herinner me nog heel goed dat ik als kind een vreemd gevoel ervoer als ik een pakje openmaakte, of een doos waarvan ik niet wist wat erin zat. Dat gevoel, is me nu duidelijk, was die angst… De dood is het onbekende. Doodgaan vind ik niet erg, maar o, wat ben ik bang voor de dood…!

5 januari 1908.
Soms word ik als ik blij en vrolijk ben ineens verdrietig. Mijn vrienden verbazen zich daarover. Maar dan moet ik eraan denken dat ik een mens ben. En de mens is een dier. En alle dieren gaan dood…

18 maart
Ik slaap zo graag! Slapen is gelukkig zijn. Als je slaapt vergeet je alles… Wat is het fijn om te vergeten… wat is het fijn om het leven te vergeten…! De dood is de eeuwige slaap, zeggen ze. Wat zou het fijn zijn om te sterven als dat zo is.

…  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …

Iemand die slaapt droomt. De droom is de mysterieuze boodschapper die je laat nadenken over het leven. Iemand die dood is, droomt niet; de dood is geen slaap. Wat dan wel, weet niemand. Over de dood weten we niets… niets… Als we tenminste nog de dag wisten waarop hij ons komt halen…

10 juni.
Gisteren heeft mijn kleermaker zelfmoord gepleegd. Die was niet bang. Hij is hem tegemoet gegaan.

2 augustus.
Over een uur misschien… misschien pas over jaren

30 september.
Gisteren zei ik bij Luís Proença thuis: ‘Wat zou ik graag de datum van mijn dood weten!’ ‘Dat is heel makkelijk,’ antwoordde Júlia mij glimlachend – Júlia is zijn geliefde, een knap meisje dat hij van de prostitutie heeft gered – ‘leg de kaarten en ik vertel het je.’ Ik glimlachte ook en ging akkoord. Daarna riep ik haar. Ze gelooft alle mogelijke onzin, maar ze wilde niet. Ten slotte deed ze het toch.

Bleek en geschokt verkondigde ze mijn doodvonnis: ik kom te overlijden op 12 april van het volgend jaar! Luís en ik moesten lachen. Zij werd kwaad en huilde…

20 november.
Volgend jaar ga ik de hele zomer naar Zwitserland. Ik heb lucht nodig… Wat zeg ik? Zomer…?! Ik ga dood in de lente… Oh! Oh! Oh!

15 januari 1909.
Uiteindelijk denk ik niet meer aan de dood. Ik denk niet eens aan angst…

12 maart.
Vandaag over een maand… En wie verzekert me dat de voorspelling niet uitkomt? Doodgaan doe je maar één keer, maar op één dag van je leven. Iedereen heeft dezelfde waarschijnlijkheden… Waarom zou het een andere moeten zijn en niet deze?

1 april.
Ik wil niet denken maar ik denk.

 

mariosacarneiro-de voorspelling

 

7 april
Eindelijk ben ik overtuigd. Ik geloof het! Een geheime gedachte zegt me: over vijf dagen ga ik dood! Vijf dagen… vijf dagen…

11 april.
Vandaag is de laatste dag waarop ik kan zeggen: Morgen. ‘Morgen’, mooi woord van hoop, mooi woord van leven…

Ik wou dat ik niet wist op welke dag hij me komt halen…

12 april (ochtend).
Vandaag ga ik dood! Ik ga dood en ik weet niet hoe en ik weet niet hoe laat. Hier wacht ik op de dood, in een stoel op mijn kamer, zoals ik op het station zo vaak op een vriend heb gewacht.

Ik durf niet te bewegen. Ik heb dorst… ik waag het niet te drinken! Ik heb honger… ik riskeer het niet te eten! Hij kan in het water zitten, in het eten… Hij is overal. Waar zou hij nu zijn? Waar loert hij op mij?

Maar ik wil niet! Ik wil niet! Ik wil niet…! Wat is het leven mooi… wat een schitterende lentemorgen! De zon schijnt zo fel…

Vijf uur ’s middags.
Hij is er nog niet. Wat een martelgang! Ik benijd ieders lot. Zelfs van degene die veroordeeld is tot hem! Hij weet hoe het zal gebeuren: de guillotine… de galg… Ik weet niets!

Acht uur ’s avonds.
Ik ben gek geworden. Nu begrijp ik het! Dit is waanzin. Wat een wrede kwelling. Hij komt niet… Hij wil me folteren. Hij heeft deze verfijnde, onbevattelijke wreedheid voor me bedacht… Anderen legt hij hooguit pijn op, alleen maar pijn. Wat is de ergste pijn vergeleken met deze marteling? Wat? Wat?

Tien uur.
Het kan niet lang meer uitblijven… Over twee uur is de dag om.

Elf uur.
Eindelijk! De redding! Een klokslag! Ik heb drieëntwintig uur op hem gewacht en hij is er nog niet; ik ga hem tegemoet. Misschien komt hij vandaag niet… Maar ik sterf liever dan nog langer op hem te wachten. Alles, alles is beter dan deze angst, deze koude rillingen van angst…!

…  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …  …
Camarate, 1909

 

Uit: Princípio − novelas originais
Vertaling Harrie Lemmens

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*