Zijn we dikke vrienden of niet?

 

Door António Lobo Antunes

 

lobo-we-zijn-dikke-vrienden2

Hij noemt mij peetoom, Joost mag weten waarom: alleen hijzelf kent de redenen. Hij heeft een fors aantal jaren gezeten, veertien of vijftien, wegens het dealen en gebruiken van coke, hij dealt en gebruikt nog steeds, verleden week zocht hij in zijn linker sok (in zijn rechter had hij zijn geld verstopt, behoorlijk wat briefjes) haalde een paar zakjes tevoorschijn

‘Die zijn voor jou, peetoom’

en daar stond ik met de coke in mijn hand terwijl hij me een zoen gaf

‘Zijn we dikke vrienden of niet?’

in de verwachting dat ik naar huis zou hollen om het cadeautje op te snuiven. Hij beult zich af voor een stel Russische types, af en toe vraagt hij mensen op straat geld met een overtuigend mes, vol argumenten: kennelijk maakt het mes de mensen gul, gevoelig voor de beweegredenen van mijn petekind. Op zijn hand en arm tatoeages uit de gevangenis, die hij showt met de trots waarmee je stempels van exotische landen in je paspoort laat zien:

Vale de Judeus, Pinheiro da Cruz, andere badplaatsen, luxe vakantieoorden voor rijkelui. Een gemeenschappelijke vriend uit de wijk hier raadt me aan

‘Geen domme dingen doen’

terwijl hij waarschuwend met zijn vingertje zwaait, en ik doe geen domme dingen. Hoezo? Hij zou me in het ergste geval zijn beweegredenen in de buik kunnen steken als de suiker hem naar het hoofd stijgt. Hij verzekert, terzijde

‘Jij schrijft boeken’

en blijft me bedachtzaam aankijken. In zekere zin zijn we gelijk

‘Ik heb ook al in de krant gestaan’

ik heb nog nooit zulke holle wangen gezien bij het inhaleren: de rook van zijn sigaret dringt waarschijnlijk door tot in zijn ziel en benevelt die volledig. Je kunt zijn ribben tellen, zo mager is hij, tanden heeft hij niet. Ik vraag belangstellend

‘Waar kauw je eigenlijk mee?’

en hij haalt zijn schouders op, teleurgesteld om de domheid van mijn vraag: er zal nog wel ergens een kies zitten, al is het in zijn slokdarm. Voor zover ik me kan herinneren heb ik hem nooit zien eten, ik zie hem hier of daar wel eens borrels wegwerken tussen zeven of acht ellenbogen op de bar, arme belabberd geklede tarantula die ieder moment ergens in de bosjes kan worden gevonden met een naald in zijn arm, of op het tij aanklotsend tegen de kademuur van de Taag: hij draagt de dood al in zijn gezicht, zijn uitgewoonde mond lijkt op een trekzak met scheve vouwen. Om de maand verdwijnt hij, maar hij komt steeds weer terug en trekt me aan mijn jasje

‘Heb je iets van me nodig, peetoom?’

terwijl hij bang om zich heen kijkt. Hij vertelt niet waar hij slaapt

‘Gewoon ergens’

legt niet uit waar hij is geweest

‘Begin je weer?’

hij heeft de drie getatoeëerde punten van een van de gevangenissen veranderd in een Davidster

‘Er zitten hier veel verklikkers’

op terrasjes wijst hij lui achter hem aan die ik niet zie zitten, hij plakt zijn mond aan mijn oor en fluistert vertrouwelijk

‘Ik sta in het rood bij de Russen’

en hij krimpt ineen van angst:

‘Ken je mij geen half eurootje lenen?’

aangezien een druppie een mens moed geeft en zorgt voor goede bedoelingen:

‘Een dezer dagen ga ik in behandeling’

levensprojecten

‘Laat ik me opnemen om er vanaf te komen’

zekerheden waar de drank bij helpt

‘Misschien trouw ik zelfs wel, echt waar’

terwijl zijn stem bedelt om een schoot en hij er zeker van is dat hij op de mijne past

‘Wij zijn toch dikke vrienden?’

en ik leg mijn hand niet op zijn schouder om te voorkomen dat hij gaat huilen. Misschien vergis ik me ook en is hij gortdroog vanbinnen. Nee, dat is hij niet

‘God zeg, ik word zo raar bij jou, peetoom’

en een tikkeltje tederheid dat hij nog over heeft trilt, zwelt op, verandert in een traan, die zijn mouw wegveegt

‘Ik heb een dochter’

die zijn hand niet wegveegt

‘Een dochter, wist je dat?’

ik weet uit te brengen

‘Waar is die dan?’

en het woedende antwoord

‘Daar heb je hem weer’

terwijl hij me een por geeft

‘Daar heb je hem weer, verdomme’

me haat. Ik denk dat nu het mes tevoorschijn komt, maar dat komt niet, er komt een gefluisterd

‘Peetoom’

de overtuiging

‘Met ons tweeën zouden we dit wel fiksen’

met een panoramisch gebaar dat de wereld omspant

‘Wij tweeën, meer is niet nodig’

en hij trekt zich helemaal hol aan zijn peuk. Hij loopt de straat uit op weg naar een nieuwe tegenslag, met trage, scheve passen, raakt verstrikt in de lijn van de basset van een oude dame

‘Kutbeest’

en de dame, met een boodschappentas, stijf van de schrik. Hij wurmt zich uit de lijn, loopt door, slaat een hoek om en ik verlies hem uit het oog. Zou het helpen als ik hem riep? Als ik het met hem eens was

‘Met ons tweeën zouden we dit wel fiksen’

zou het er dan beter op worden? Het is de traan die door de mouw wordt weggeveegd die me verontrust. Ik heb er ook een paar, verborgen. Alleen zo diep in mezelf dat ik ze niet kan wegvegen. Dat is verder niet erg: niemand merkt het. En als ze het wel zouden kunnen merken zouden ze dat toch niet doen: ze zijn zo klein dat ze niet afsteken tegen de huid. Je hebt gelijk: we zijn dikke vrienden, petekind, je hebt gelijk, wij met zijn tweeën zouden het wel fiksen. Heeft iemand misschien een half eurootje voor me om moed te vatten?

logo-zijn-we-dikke-vrienden-niet1

 

Uit: Visão, 5 maart 2009

Vertaald door Harrie Lemmens

Foto’s Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*