De ontmoeting

Carvalho, Ana - De ontmoeting Lobo Antunes

Column door António Lobo Antunes

Ik tel tot honderd, en als je dan nog niet hier bent ga ik weg. Honderd, en je bent er niet. Ik tel van honderd tot een, en als je dan nog niet hier bent ga ik weg. Een, en je bent er niet. Als ik tien zwarte auto’s heb geteld en je bent er nog niet, ga ik weg. Tien zwarte auto’s, en je bent er nog niet. Vijftien vrije taxi’s, en niets. Zeven kale mannen, en niets. Negen blonde vrouwen, en niets. Vier ambulances, en niets. Zelfs na drie gebochelden ben je er nog niet, en intussen is het ook nog gaan regenen. Het is gaan regenen en nergens een luifel te bekennen waaronder ik kan schuilen, want ik heb geen paraplu bij me, toen ik van huis wegging, was er geen wolkje te zien, vandaag onbewolkt zeiden ze in het weerbericht, die weerlui zouden ze neer moeten schieten, helaas zitten we hier niet op Cuba en de Italiaanse maffia wil die ellende hier ook niet overnemen.

Of mijn ellende, want ik sta hier als een sul op jou te wachten. Ik druk me plat tegen de muur, in de hoop minder nat te worden, maar van de balkons, die nauwelijks uitspringen, vallen dikke druppels in mijn nek: je zult zien, morgen lig ik aspirines slikkend voor dood in bed, met een thermometer onder mijn arm en een bijna lege doos tissues op het nachtkastje. Nog meer gebochelden tellen is zinloos, die staan allemaal lekker thuis door het raam naar mij te kijken. Zou je hier zijn als het ophoudt met regenen?

Wat een stom idee om hier met je af te spreken, waarom heb ik geen lunchroom voorgesteld, of een café, of een winkelcentrum, allesbehalve deze straathoek, dicht bij je werk zei je, en je voegde er meteen aan toe dat je op tijd zou zijn, echt waar, en ik geloofde je, vijf uur hadden we afgesproken, en sinds kwart voor vijf sta ik hier en verwar je met iedereen die dichterbij komt, als het een vrouw is, slaat onmiddellijk ‘Dat is ze’
mijn hart over en krijg ik het zweet in mijn handen, maar het is altijd een andere vrouw en ze kijkt niet eens naar me, ik vind het trouwens gek dat jij ooit naar me hebt gekeken, ik heb nooit veel succes gehad bij de vrouwen, er is nooit iemand verliefd op me geworden, één keer misschien, maar dat weet ik niet zeker, ze heette Carla en stond in een hotel achter de balie, haar linkeroog loenste en dat oog stootte me af, ik had altijd gedacht dat schelen anders huilen, maar nee, ze schreef me nog maar ik reageerde niet, ze belde me maar ik nam niet op, en daarna werd ze opgeslokt door de stad, ze zal nog wel ergens zitten, in dat hotel, in de flat waar ze bij haar moeder woont, opgeslokt door de jaren, die alles verslinden, te beginnen met het vergeten. En toen kwam jij. Dat wil zeggen, we kennen elkaar nauwelijks, we zaten een keer naast elkaar bij de Italiaan, de onbeschoftheid van de serveerster schiep een band, onze gemeenschappelijke voorkeur voor vegetarische lasagne sloeg een brug tussen ons,  je pink miste een schilfertje nagellak en dat vond ik vertederend, we spraken hier af om naar de film te gaan en namen afscheid met een langgerekt tot gauw dat aanvoelde als een zoen, je liep weg zonder om te kijken, nadat je mij had laten betalen voor je lasagne, je stak tegen je zin je portemonnee terug in je tas ‘De volgende keer betaal ik daar sta ik op’ en die volgende keer is vandaag, ik hoop dat we na de film gaan eten, ik hoop dat ik je hand kan vastpakken, die even aarzelt, trek ik me terug of niet, maar toch blijft, ik hoop op je knie, hoop op een wang tegen mijn schouder, een eerste schuchtere zoen, een tweede die zich opent als een bloem, een zucht, voorzichtig aftastende vingers in de auto, ik heb mijn flat opgeruimd, het bed opgemaakt, zo moeilijk is dat niet merkte ik, het aanrecht schoon, alle asbakken schoon, de krant van gisteren in de vuilnisemmer, rustige muziek klaar om af te spelen in de installatie, ik hoef maar een knop in te drukken en violen fiedelen om je heen, een vriend van me zweert dat vrouwen week worden van violen, hij zegt er altijd bij ‘Vraag me niet waarom maar ze worden week’ en ik heb geen redenen om hem niet te geloven, drie keer getrouwd, drie keer gescheiden, door de wol geverfd, het regent wat minder hard, lijkt het, en ik drijfnat, misschien ben je het vergeten, misschien heb je er niet meer aan gedacht, ik weet niet eens hoe je heet, om eerlijk te zijn weet ik niet eens meer goed hoe je eruitziet, niet groot en niet klein, geloof ik, bruin haar geloof ik, of je krullen hebt zou ik niet weten, misschien ben je wel al voorbijgekomen terwijl ik die zeven kaalkoppen stond te tellen, en wist jij ook niet meer precies hoe ik eruitzie, wie weet wachtte je wel op een glimlach van mij voor je me aansprak, en omdat ik niet glimlachte dacht je teleurgesteld ‘Hij wacht op iemand anders, ik ga weg’ En ik wachtte helemaal niet op iemand anders, wat nou, ik wachtte op jou, ik wacht op jou, en dus begin ik, nu het niet meer regent, opnieuw van een tot honderd en van honderd tot een te tellen, zwarte auto’s te tellen, vrije taxi’s, kale mannen, blonde vrouwen, ambulances en gebochelden, met de smaak van vegetarische lasagne in mijn mond, ervan overtuigd dat ik niet weg zal hoeven gaan omdat jij komt.

column

 

 

Deze column verscheen eerder in Visão
Vertaling Harrie Lemmens
Foto’s Ana Carvalho

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*