José Eduardo Agualusa – allergisch voor kou

agualusa-haia

Een van de onderdelen van het jaarlijkse Writers Unlimited festival 2016 was Seven Deadly Sins, zoals hoogmoed, hebzucht, wellust, afgunst, vraatzucht, woede en luiheid. Zonden die niet weg te denken zijn uit de literatuur. Winternachten vroeg zeven auteurs er een te kiezen en er een tekst over te schrijven. José Eduardo Agualusa was een van die schrijvers. Hieronder een gesprek over Angola, over dictatuur en over jongeren die de wereld willen verbeteren.

Interview door Harrie Lemmens

Half januari, tijd voor literair festival Writers Unlimited, het vroegere Winternachten. Het is kil en nat in Den Haag. José Eduardo Agualusa houdt zijn leren jasje aan in de lounge van het hotel waar hij verblijft. De Portugees/Angolees José Eduardo Agualusa woont in Lissabon, komt vaak in Brazilië en reist sowieso voortdurend over de aardbol. Het blijkt de enige jas te zijn die hij bij zich heeft. Wat aan de dunne kant voor deze tijd van het jaar, en hij moet nog door naar Frankfurt en Zürich. Te meer daar hij me eerder mailde dat hij allergisch is voor kou. Maar misschien heeft die allergie meer te maken met zijn afkerigheid van somberen en treuren, zoals hij die avond ook zal uitleggen in zijn hoofdzonde.  Maar eerst het gesprek.
Volgens Agualusa zijn er oorspronkelijk meer hoofdzonden waarvan melancholie er een is. Daarover wil hij het hebben. Over de kwalijke gevolgen van het kniezen en over het grote belang van vrolijkheid en blijdschap als wapen daartegen.
‘Kijk,’ begint hij. ‘Vrolijkheid is een vorm van verzet in extreme situaties. Ik geloof dat omdat ik vaker dergelijke situaties heb meegemaakt. Als je tegenspoed niet het hoofd biedt met blijdschap, overleef je het domweg niet.’
Hier wordt geen humor bedoeld of ironie, die natuurlijk van belang zijn om miskleunende en misdadige leiders in hun hemd te zetten en van hun sokkel te blazen, maar de vrolijke lach van het plezier maken. ‘Vrolijkheid is gekoppeld aan optimisme. Wie danst doet dat samen, en hoe minder je hebt, hoe meer waarde je aan dat plezier hecht.’

In Agualusa’s onlangs in Nederlandse vertaling verschenen roman Een algemene theorie van het vergeten staat: ‘God heeft de muziek uitgevonden om de armen even gelukkig te laten zijn.’ In een land als Angola hebben de rijken alleen maar kopzorgen. En hoe rijker je bent, hoe groter die zorgen. ’De rijke Angolezen zijn niet gelukkig. In een context van ellende, in het besef dat jouw geluk stoelt op de armoede van de anderen, kun je ook niet gelukkig zijn,’ meent Agualusa.

Vrolijkheid dus als wapen. Soms komt het allemaal voort uit woede die leidt tot euforie. Zoals bij het groepje jongeren dat in 2014 de Arabische lente wilde binnenhalen in Angola. De jonge Nito Alves (1996) trok een T-shirt aan met daarop ‘35 is te veel’, een  overduidelijke verwijzing naar het aantal bewindsjaren van Dos Santos, en werd onmiddellijk in de kraag gevat: Dos Santos houdt niet van humor. Er werd met harde hand tegen opgetreden. Nito Alves werd vernoemd naar de man die in 1977 een poging deed de macht te grijpen in de nog geen twee jaar onafhankelijke staat Angola. Agostinho Neto, de grondlegger van die staat, schakelde de oude Nito Alves (1945-1977) meedogenloos uit, en met hem nog tienduizenden anderen. ‘De schattingen lopen uiteen van vijfduizend tot vijftigduizend, hoe dan ook zijn het er veel. En de families weten nu nog van niets.’  De belangrijkste assistent van Neto, en kort daarna ook zijn opvolger was José Eduardo Dos Santos, de langstlevende dictator van Afrika.

‘De Angolese lente bestaat niet, het is hartje winter in Luanda. De toestand is er verslechterd. De regering legitimeert de repressie. Acht maanden zitten die vijftien jongens nu al vast. Eerst in de gevangenis, momenteel in de vorm van huisarrest. Met elk tien politieagenten permanent als bewaking om hen heen. Ook de twee die samen een klein hokje in de krottenwijk bewonen. Stel je voor, twintig agenten, het is gewoon pure slapstick!’

In plaats van te kiezen voor openheid, verbergt de heersende kliek in Angola zich in een pantser en slaat wild om zich heen. Maar het zal niet baten:

‘Ik durf te wedden dat Dos Santos het einde van dit jaar niet haalt. Veel machtige zakenvrienden in het buitenland worden berecht voor corruptie, de olieprijzen gaan almaar verder omlaag en daar zal voorlopig geen verandering in komen, en zelfs binnen de eigen kringen wordt gemord nu er niet meer zoveel winst te verdelen valt. Bovendien is er een steunbeweging ontstaan voor de vijftien jongeren en daar maken veel kunstenaars, artiesten en schrijvers deel van uit die uit de betere lagen van de bevolking komen. Waardoor de kritiek wel erg dicht bij de president en zijn familie komt. Maar in plaats van eieren voor zijn geld te kiezen en de gemoederen te bedaren met beloften voor meer democratie en openheid, verdenkt hij die arme jongens van het beramen van een staatsgreep.’

Boegbeeld van de vrijheidsbeweging is rapper Luaty, zoon van een inmiddels overleden hoge legerleider en boezemvriend van Dos Santos. Na zijn studie in Londen en Parijs, realiseerde Luaty zich dat hij Afrika helemaal niet kende en reisde daarom te voet van Lissabon naar Luanda. ‘Je bent gek,’ zei iedereen, maar hij kwam ongedeerd aan in zijn geboortestad. Hij brak met zijn familie en sloot zich aan bij het groepje jongeren (‘waarvan er trouwens een Hitler heette, in Angola is alles mogelijk!’). November vorig jaar ging hij wekenlang in hongerstaking.

Nu begin dit jaar de benzineprijzen zijn gestegen, wordt het nog gevaarlijker: die hoge prijzen raken vooral de taxichauffeurs in Luanda, die met hun busjes (candongueiros), in feite het hele openbaar vervoer verzorgen. Het lont wordt korter, de explosie nadert. Ook al is er sinds het einde van de burgeroorlog in 2002 het een en ander verbeterd aan wegennet en gezondheidszorg, de gaten in het door de Chinezen neergelegde asfalt worden weer groter en de ziekenhuizen hebben door de crisis geen geld meer voor medicijnen.

‘De familie van de patiënten moet daar zelf voor zorgen. Er zijn wel particuliere ziekenhuizen, waar het iets beter is, maar wie genoeg geld heeft en ziek wordt gaat niet naar het ziekenhuis, maar naar het vliegveld. Op naar Johannesburg.’

omslag Agualusa Een algemene theorieToch is in Een algemene theorie van het vergeten, waarin een vrouw zich in 1975 inmetselt in een flat in Luanda en vandaaruit bijna dertig jaar chaos en de op en afgaande burgeroorlog meemaakt, niet die chaos het hoofdthema, maar de ‘angst voor de ander’. Het gaat om banden die ontstaan, om hoop op verandering – en ja, om optimisme, om vrolijkheid. Aan het eind van deze scenische roman – waarvan hier een voorpublicatie staat – komt alles bij elkaar als in één grote humoristische filmshot, waar het feit, dat het verhaal eerst bedoeld was als draaiboek niet vreemd aan is. In plaats van een film is het een zeer filmische roman geworden. Die wie weet nog eens verfilmd zal worden.

 

 

KORT WEERWOORD TEGEN DE SOMBERHEID, OF EEN LOFREDE OP DE LACH
JOSE EDUARDO AGUALUSA

Aanvankelijk waren er acht hoofdzonden en een daarvan was melancholie. Aan het eind van de zesde eeuw schrapte paus Gregorius i de melancholie echter en bracht zo het aantal op de huidige zeven.
De geleerden van de Katholieke Kerk beschouwden halsstarrige zwaarmoedigheid als smaad jegens God, want iemand die zwaarmoedig is verliest alle levensvreugde, zondert zich af, verzet zich tegen de anderen. En soms slaat hij de hand aan zichzelf. Door dat te doen minacht hij het dagelijkse wonder van het leven – oftewel, veracht hij wat God heeft geschapen.
Niet iedereen was het daarmee eens. Anderen brachten naar voren dat melancholie geen zonde kan zijn, omdat het geen handeling maar een gemoedstoestand is. Alsof iemand bij zijn geboorte een afwijking heeft meegekregen die hem belet zich te verbazen en te verheugen over de schoonheid van de wereld. De discussie sleepte eeuwenlang aan.
Ik begrijp de kerkgeleerden die de eerste stelling verdedigden. Somberte als leefwijze heeft me altijd een ernstige zonde geleken. Pessimisme, dat koekoeksjong van de melancholie, is bijna altijd een soort arrogant speldje dat sommige denkers op hun revers steken om intelligenter te lijken, maar eigenlijk is het geestelijke gemakzucht, denkluiheid, een luxe van volkeren die gelukkig zijn, zoals ik elders ooit heb geschreven. Moeilijk is het daarentegen om optimistisch te zijn. En optimistisch zijn is dringend noodzakelijk.
Ik ben een Angolees. Dat is een dagelijkse oefening in optimisme en levensvreugde. Als wij, Angolezen,  ’s morgens opstaan en de krant lezen, lachen we om dingen waar een Nederlander van zou gaan huilen. We lachen omdat we ondanks alle krantenberichten leven. Doorleven. We lachen omdat we ademhalen. We lachen omdat we onze kinderen in hun slaapkamer horen schateren. We lachen omdat we kunnen dansen wanneer we dat willen. We lachen omdat hoop wordt gevoed door de lach. We lachen omdat lachen subversief is. We lachen omdat lachen revolutionair is.
Lachen is verzet plegen.
Mensen uit het noorden hoor ik wel eens verbaasd vragen: ‘Jullie lachen en dansen altijd. Hoe kan dat? Hoe kunnen jullie in godsnaam gelukkig zijn?’ We zijn gelukkig omdat we gewoon niet ongelukkig mógen zijn. Het geluk schuilt in het streven ernaar. Als de stroom uitvalt, iets wat zich bij ons regelmatig voordoet, profiteren we daarvan om naar de sterren te kijken. Hoe donkerder de nacht, des te flonkerender de sterren.
Somberheid is het hoofd buigen. Somberheid maakt blind voor wat toch o zo duidelijk is. Duidelijk is het leven dat om ons heen bruist, met of zonder God. Duidelijk zijn de kansen die er liggen, zelfs als niets lijkt te kunnen.
‘Ooit,’ zegt een oud Angolees liedje, ‘ooit planten we mangobomen op de maan.’

Vertaling: Harrie Lemmens
Foto auteur: Ana Carvalho

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*