Ontstaan van: De stad der blinden – José Saramago

Ontstaansgeschiedenis van een roman in dagboekaantekeningen van José Saramagostad der blinden

Cadernos de Lanzarote I

20 april 1993
Toen ik vanmorgen wakker werd, kwam ineens het idee voor een essay over blindheid bij me op, en een paar minuten lang leek het me glashelder − op de vraag na hoe er uit dat thema ooit een roman kan ontstaan, in de meest gangbare betekenis van het woord. Bijvoorbeeld: hoe moet ik er personages in opvoeren die de enorm lange tijd van het verhaal die ik nodig heb blijven bestaan? Hoelang duurt het voordat alle mensen die op een bepaald moment leven door anderen zijn vervangen? Een eeuw, of iets meer, is geloof ik wel genoeg. Maar in mijn essay zullen alle zienden moeten worden vervangen door blinden, en die allemaal op hun beurt weer door zienden… Alle mensen zullen eerst blind geboren worden en blind leven en sterven, waarna er anderen komen die wel kunnen zien en dat tot aan hun dood blijven doen. Hoeveel tijd is daarvoor nodig? Ik denk dat ik het klassieke model van de ideeënroman kan gebruiken, aangepast aan onze tijd, waar ik dan tijdelijke personages in opneem die geschikt zijn voor de verschillende situaties en die ik, als ze niet consistent genoeg zijn om wat langer mee te gaan in het verhaal, snel kan vervangen door andere.

zuca25

21 juni 1993

Een groot probleem van De stad der blinden eindelijk opgelost. De personages hoeven niet na elkaar blind geboren te worden tot ze degenen die zien volledig vervangen: ze kunnen op elk moment blind worden. Daardoor wordt de vertelde tijd korter.

2 augustus 1993
Vandaag de eerste zinnen van De stad der blinden geschreven.

15 augustus 1993
Ik heb besloten geen namen te gebruiken in De stad der blinden, niemand zal António of Maria, Laura of Francisco, Joaquim of Joaquina heten. Ik ben me bewust van de moeilijkheid om een verhaal te vertellen zonder het gebruikelijke en tot op zekere hoogte onvermijdelijke houvast van de namen, maar ik wil de schimmen die we personages noemen nu eens juist níet bij de hand nemen, een leven voor ze verzinnen en hun bestemming voorbereiden. Dit keer heb ik liever dat het boek bevolkt wordt door schaduwen van schimmen, dat de lezer nooit weet over wie het gaat, dat hij zich zodra iemand verschijnt afvraagt of het de eerste keer is dat dat gebeurt, of de blinde van bldzijde honderd al dan niet dezelfde is als die op bladzijde vijftig, kortom, dat hij de facto binnentreedt in de wereld der anderen, diegenen die we niet kennen, wij allemaal.

24 juli 1994
Een roman zonder personages willen maken is één ding, iets anders is het te denken dat je er een zou kunnen schrijven zonder mensen. En dat was mijn grote vergissing toen ik De stad der blinden bedacht. Zo groot dat het me maanden van wanhopig makende machteloosheid heeft gekost. Het heeft veel te lang geduurd voor ik inzag dat mijn blinden wel geen naam konden hebben, maar dat ze niet konden leven zonder menselijkheid. Resultaat: een flink aantal pagina’s in de prullenbak.

cegueira

4 maart 1995
Omdat ik geen recent boek had dat ik als kapstok kon gebruiken voor een lezing in Braga bij de opening van de boekenbeurs, besloot ik een tipje van de sluier op te lichten die nog over De stad der blinden hangt en er enige gedachten over te ontwikkelen. Al pratend werd mij steeds duidelijker hoezeer het pessimisme van dit boek mij verontrust. Imago mundi heb ik het al eerder genoemd, een huiveringwekkend visioen van een tragische wereld. Ditmaal zal het pessimisme van een Portugees schrijver zich niet uiten via de gebruikelijke kanalen van het zwartgallige lyrisme dat ons kenmerkt. Het zal wreed zijn, sec, zelfs de stijl zal er de scherpe kantjes niet afslijpen. In De stad der blinden huilt niet het innerlijke leed van verzonnen personages, wat het daar uitschreeuwt is de onophoudelijk schrijnende, absurde pijn van de wereld.

9 augustus 1995
Gisteren heb ik De stad der blinden afgerond, bijna vier jaar nadat het idee bij me was opgekomen, om precies te zijn op 6 september 1991, toen ik alleen zat te eten in restaurant Varina da Madragoa van mijn vriend António Oliveira (ik heb tijd en plaats opgetekend in een van mijn zwarte boekjes). Op de kop af drie jaar en drie maanden later, op 6 december 1994, noteerde ik dat ik nog geen vijftig bladzijden had geschreven: ik had gereisd, was aan staar geopereerd, verhuisd naar Lanzarote… En ik heb gevochten, hard gevochten, alleen ik weet hoeveel, tegen de twijfels, de verbijstering, de fouten waardoor het verhaal telkens weer vastliep en ik niet meer wist hoe het verder moest. Alsof dat nog niet genoeg was, dreef de afschuw, de horreur van wat ik aan het vertellen was mij tot wanhoop. Maar goed, het is af, ik hoef niet langer te lijden. Nu is het tijd mezelf de vraag te stellen waar geen enkele schrijver van houdt: ‘Wat is er overgebleven van dat oorspronkelijke idee?’ (Schrijvers houden er niet van omdat ze liever hebben dat de lezer denkt dat een boek kant en klaar uit hun hoofd komt.) Ik zou zeggen dat er alles en haast niets van is overgebleven: weliswaar heb ik geschreven wát ik wilde schrijven, maar ik heb het niet gedaan hóe ik had gedacht. Ik hoef maar mijn inspiratie van vier jaar geleden te vergelijken met wat het uiteindelijk is geworden. Toen krabbelde ik neer: ‘Er worden blinde kinderen geboren. Eerst nog zonder verontrusting: jammerklachten, bijzonder onderwijs, tehuizen. Wanneer duidelijk wordt dat er geen kinderen meer worden geboren die kunnen zien, ontstaat er paniek. Sommigen doden hun kind bij de geboorte. Met het verstrijken van de tijd sterven de “zienden” en de balans slaat door naar de blinden. Iedereen die nog kan zien gaat dood en de hele wereldbevolking bestaat uit blinden. Op zekere dag wordt er een kind geboren dat normaal kan zien en er volgen er meer: verbaasde, soms gewelddadige reacties, sommige van die kinderen sterven. Het proces keert om tot het – misschien – weer terugkeert naar het begint.’ Als je dat vergelijkt…

18 september 1995
In al mijn romans is sprake van een zeker scepticisme, meestal gedragen door de opmerkingen en commentaren van de ironische verteller, maar dan gaat het altijd om een heel concrete scepsis, een scepsis die uitsluitend verwijst naar de beschreven toestanden en verwikkelingen en een soort beschermende balustrade om zich heen heeft (van hoop? illusie? naïviteit?) die een desastreuze val zou kunnen vermijden. Het scepticisme in De stad der blinden is radicaal, omdat het ditmaal rechtstreeks de confrontatie aangaat met de wereld. Sommigen zullen zeggen dat scepsis een ouderdomskwaal is, een onhebbelijkheid van de laatste dagen, een sclerose van de wil. Ik durf niet te beweren dat die diagnose volledig fout is, maar wel dat het gemakzuchtig zou zijn door die deur aan de problemen te willen ontsnappen, alsof de huidige toestand van de wereld simpelweg het gevolg zou zijn van het feit dat de ouderen oud zijn… De hoopvolle verwachtingen van de jongeren zijn er tot nu toe nooit in geslaagd de wereld te verbeteren en de hernieuwde en toegenomen verbittering van de ouderen is er nooit in geslaagd haar te verslechteren. Uiteraard kan de arme wereld niets doen aan de euvels waaraan ze lijdt. Wat wij toestand van de wereld noemen is de toestand van de miserabele mensheid die wij zijn, onvermijdelijk samengesteld uit ouderen die jong zijn geweest, jongeren die oud worden en anderen die niet jong meer en nog niet oud zijn. Schuld? Naar verluidt hebben we die allemaal, kan niemand zich erop beroemen onschuldig te zijn, maar mij lijken dergelijke uitlatingen, die ogenschijnlijk iedereen voor de wet gelijkmaken maar in feite niet meer zijn dan bastaardmutanten van de zogenaamde erfzonde, alleen maar te dienen om de verantwoordelijkheid van de ware schuldigen te verbergen achter een imaginaire collectieve schuld. De schuldigen van de toestand van het leven, niet van de wereld.

 

saramago4

 

Vertaling: Harrie lemmens
Foto’s: Ana Carvalho

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*