Een algemene theorie van het vergeten – José Eduardo Agualusa

De Angolees/Portugese schrijver José Eduardo Agualusa is schrijver van magisch realistische verhalen die de werkelijkheid in zijn eigen vorm giet. Een algemene theorie van het vergeten (Teoria Geral do Esquecimento (2012)) is de vijfde roman van  Agualusa die in Nederlandse vertaling verschijnt. Het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, tussen leugen en waarheid speelt een grote rol in zijn werk. Hieronder de eerste pagina’s uit de roman, met een opmerking vooraf van Agualusa zelf, zoals die ook in het boek is opgenomen.

Opmerking vooraf
Ludovica Fernandes Mano overleed in de vroege nacht van 4 op 5 oktober 2010 in de kliniek Sagrada Esperança te Luanda. Ze was vijfentachtig. Sabalu Estevão Capitango heeft me kopieën gegeven van tien schriften waarin Ludo een dagboek had bijgehouden tijdens de eerste jaren van de in totaal achtentwintig die ze ingemuurd had gezeten. Ik heb eveneens toegang gehad tot de dagboeken uit de tijd na haar bevrijding, plus een uitgebreide verzameling foto’s van beeldend kunstenaar Sacramento Neto (Sakro) waarop de teksten en tekeningen te zien zijn die Ludo met houtskool had aangebracht op de muren van haar appartement. Haar dagboeken, gedichten en overpeinzingen hebben me geholpen het drama dat ze heeft beleefd te reconstrueren. Ze hebben me geloof ik geholpen haar te begrijpen. In de bladzijden die hier volgen heb ik dankbaar gebruik gemaakt van haar getuigenissen. Desondanks is wat u zult lezen fictie. Pure fictie.

Ludovica hield niet van de hemel. Als kind al was ze doodsbang voor open ruimten. Wanneer ze van huis wegging, voelde ze zich zwak en kwetsbaar, als een schildpad waarvan het pantser is afgerukt. Op haar zesde, zevende weigerde ze naar school te gaan zonder de bescherming van een enorme zwarte paraplu, wat voor weer het ook was. Noch de boosheid van haar ouders noch de wrede spot van de andere kinderen kon haar daarvan afbrengen. Later werd het beter. Tot datgene gebeurde wat ze Het Ongeluk noemde en ze die aanvankelijke vrees als een voorteken beschouwde.
Na de dood van haar ouders trok ze in bij haar zus. Ze ging nauwelijks uit. Verdiende wat geld met het geven van bijles Portugees aan verveelde pubers. Daarnaast las, borduurde en kookte ze. En speelde piano en keek tv. Bij het vallen van de avond liep ze naar het raam en keek naar het donker alsof ze zich over een afgrond boog. Haar zus Odete schudde dan boos haar hoofd: ‘Wat heb je toch, Ludo? Ben je soms bang dat je tussen de sterren valt?’
Odete gaf Engels en Duits op het lyceum. Ze hield van haar zus en ging nooit op reis om haar niet alleen te laten. De vakanties bracht ze thuis door. Sommige vrienden roemden haar om haar edelmoedigheid, anderen vonden het overdreven wat ze deed. Ludo kon zich niet voorstellen alleen te wonen, maar het verontrustte haar wel dat ze een last was geworden. Ze zag haar zus en zichzelf als Siamese tweelingen die met hun navel aan elkaar vastzaten. Zijzelf verlamd, bijna dood, en de ander, Odete, gedwongen haar overal mee naartoe te slepen. Ze was tegelijk blij en ontzet toen haar zus verliefd werd op een Angolese mijningenieur. Orlando, een kinderloze weduwnaar die naar Aveiro was gekomen om een ingewikkelde erfeniskwestie te regelen. Hij was geboren in Catete, maar woonde afwisselend in de hoofdstad van Angola en Dundo, een stadje dat gesticht was door het diamantbedrijf waarvoor hij werkte. Twee weken nadat ze elkaar toevallig hadden ontmoet in een lunchroom vroeg Orlando Odete ten huwelijk. Omdat hij vreesde dat Odete anders toch nee zou zeggen, stelde hij voor dat Ludo bij hen kwam wonen, en een maand later zaten ze in een reusachtig appartement op de hoogste verdieping van een van de meest luxueuze flatgebouwen van Luanda, de Flat der Benijden.
De reis was moeilijk geweest voor Ludo. Verdoofd door kalmeringsmiddelen was ze zuchtend en steunend thuis vertrokken en ze had de hele vlucht geslapen. De volgende morgen had ze de draad van haar dagelijkse routine weer praktisch onveranderd opgenomen. Orlando bezat een kostbare bibliotheek van duizenden boeken in het Portugees, Frans, Spaans, Engels en Duits, waaronder bijna alle grote klassiekers uit de wereldliteratuur. Ludo beschikte nu over veel meer boeken maar ze had minder tijd, want ze had per se gewild dat de twee dienstmeisjes en de kokkin weggestuurd werden, omdat zij in haar eentje voor het huishouden zou zorgen.
Op zekere dag kwam de ingenieur thuis met een kartonnen doos, die hij voorzichtig overhandigde aan zijn schoonzus: ‘Hier, Ludovica, dit is voor jou. Heb je wat gezelschap want je bent veel te veel alleen.’
Ludo maakte de doos open. Er zat een pasgeboren wit hondje in dat haar verschrikt aankeek.
‘Een Duitse herder. Een mannetje,’ legde Orlando uit. ‘Ze groeien snel. Dit hier is een albino, die zie je niet vaak. Hij mag niet veel zon hebben. Hoe ga je hem noemen?’
Ludo aarzelde geen moment: ‘Spook!’
‘Spook?’
‘Ja, het lijkt net een spook, zo helemaal wit.’
Orlando haalde zijn knokige schouders op: ‘Als jij het zegt. Dan wordt het Spook.’
Vanuit de woonkamer liep er, ietwat uit de tijd, een smalle smeedijzeren wenteltrap naar het dakterras. Je had daar uitzicht op een groot deel van de stad, de baai, de landtong, die het Ilha wordt genoemd, en in de verte een lang snoer van verlaten strandjes tussen het schuim van de golven. Orlando had de ruimte benut voor de aanleg van een tuin. Een pergola met bougainvilles wierp een geurende lila schaduw op de ruwe tegelvloer. In een van de hoeken stonden een granaatappelboom en een aantal bananenbomen. Bezoekers vroegen altijd verbaasd: ‘Bananen, Orlando? Verbouw je bananen?’
De ingenieur ergerde zich daaraan. Die bananenbomen deden hem denken aan de tuin tussen lemen muren waar hij als kind had gespeeld. Als het aan hem had gelegen had hij ook mango’s en mispels gehad, en een heleboel papajabomen. Wanneer hij thuiskwam van kantoor ging hij daar, met een glas whisky binnen handbereik en een zwarte sigaret in zijn mond, zitten kijken naar de nacht die bezit nam van de stad. Altijd met Spook naast zich. Het hondje was ook dol op het terras. Ludo daarentegen weigerde naar boven te gaan. De eerste paar maanden durfde ze niet eens in de buurt van de ramen te komen.
‘De hemel boven Afrika is veel groter dan bij ons,’ zei ze tegen haar zus. ‘Die verplettert je.’
Op een zonnige dag in april kwam Odete tegen de middag opgewonden en verschrikt thuis van school om te eten. Er was chaos uitgebroken in de stad. Orlando zat in Dundo, maar hij kwam nog diezelfde avond naar huis en trok zich met zijn vrouw terug in de slaapkamer. Ludo hoorde hen druk praten. Zij wilde zo snel mogelijk weg uit Angola: ‘De terroristen, schat, de terroristen…’

 

Vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens,
Verschenen bij Uitgeverij Koppernik
Prijs:  € 18,50
254 blz.
ISBN: 9789492313058

Lees hier de recensie op Literair Nederland van Ingrid van der Graaf
En hier de recensie van Theo Hakkert
En hier als boek van de week

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*